Nieuws
Slide background

Resultaatgericht indiceren in de WMO

Met de komst van de nieuwe wet WMO in 2015 zijn de gemeenten overgestapt op resultaatgericht indiceren. Deze hervorming van de toekenningswijze van WMO-voorzieningen heeft veel beroering met zich meegebracht. Voorheen was bijvoorbeeld iemand met een halfzijdige verlamming standaard verzekerd van twee uur per week aan huishoudelijke hulp.  Bij resultaatgericht indiceren is de gemeente gestopt met het afgegeven van indicaties in uren, maar indiceert voortaan in de vorm van resultaatgebieden. In het bovenstaande voorbeeld heeft iemand dan recht op ‘een schoon en leefbaar huis’. Wat was het idee hierachter?

Met de hervorming van de WMO beoogde men de persoonlijke mogelijkheden, omstandigheden en behoeften van mensen centraal te stellen. In plaats van een standaard aantal uren aan huishoudelijke hulp toe te kennen, zou gekeken worden naar wat déze persoon, met déze fysieke en/psychische beperkingen, met dit sociale netwerk, in dit type huis, met een optimale aanwending van de éigen mogelijkheden nog nodig zou hebben van de gemeente om aan een schoon en leefbaar huis te komen. Dat kon per keer verschillen. Zo kon de zorgverstrekker het lappen van de ramen overslaan als de dochter van de cliënt het eerder die week al had gedaan. Deze flexibele werkwijze zou zelfredzaamheid en zelfregie bij stimuleren, en de kosten van de zorg omlaag brengen. Dat klinkt ideaal. Maar waarom waren velen er toch niet blij mee?

Het grote nadeel van resultaatgericht indiceren is dat er weinig zekerheid biedt voor de cliënten. Want wat is dat precies, “een schoon en leefbaar huis”? Hoe vaak moet daarvoor worden gestofzuigd en hoe vaak gedweild? Moeten de vensterbanken dan ook telkens worden afgestoft, of wordt de cliënt geacht dat zelf te doen? En mag de cliënt van de zorgaanbieder vragen om ook even te strijken? Of is gaat de gemeente er van uit dat alle mensen die niet zelf kunnen strijken maar strijkvrije kleding moeten kopen om met kreukels moeten leren leven? Het is kortom voor vele interpretaties vatbaar, waar iemand dan precies recht op heeft. Het nieuwe beleid brengt dus veel onzekerheid met zich mee. En in de praktijk draaide het resultaatgerichte werken erop uit dat veel mensen er op achteruit gingen in het aantal uur dat de hulp bij hen in huis is.

Door deze manier van werken heeft de rechter een streep getrokken. De hoogste Nederlandse rechter op het gebied van de WMO, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), oordeelde dat het recht op “een schoon en leefbaar huis” niet concreet genoeg is, en dat gemeenten daarom niet op deze manier mogen werken. Als ze indicaties willen formuleren in termen van resultaatgebieden, dan moeten er beleidsregels komen die objectieve criteria bevatten, over welke concrete activiteiten nodig zijn, hoeveel tijd nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning.

Het kritische oordeel van de CRvB over resultaat indiceren bracht een stroom van rechtspraak aan de gang, waarin de eisen aan de werkwijze van gemeenten verder zijn uitgewerkt. In veel gemeenten, zoals afgelopen jaar ook in de gemeente Nijmegen, is er voor gekozen om het resultaatgericht indiceren weer terug te draaien.  Het voordeel van flexibiliteit (en daarmee gepaard gaande kostenbesparing), viel weg bij de inspanningen die de gemeente zou moeten leveren om het systeem rechter-proof te maken. Nijmeegse burgers, die recht hebben om huishoudelijke hulp, weten vanaf dit jaar dus weer waar ze aan toe zijn.  Wat is een schoon en leefbaar huis? Nou, gewoon…2 uur poetshulp per week!

Geschreven door: Lucia Knoflíčková