WGA-uitkering
Slide background

De WGA-uitkering is voor mensen die bij de WIA-beoordeling(keuring) meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard, maar niet volledig én duurzaam. WGA staat voor regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Er zijn 3 soorten WGA-uitkeringen:

  • de loongerelateerde uitkering
  • de loonaanvullingsuitkering
  • de vervolguitkering.

Het idee achter de WGA is dat het altijd financieel aantrekkelijk moet zijn om te werken. Mensen met een WGA-uitkering die werken, hebben een hoger inkomen dan mensen die niet werken.

 

Loongerelateerde uitkering

Heeft u in de 36 weken voor uw eerste ziektedag tenminste 26 weken gewerkt? Dan krijgt u een loongerelateerde uitkering. Een week telt mee, als u in die week 1 dag heeft gewerkt.

De uitkering duurt minstens een half jaar en maximaal vijf jaar. Dat hangt af van uw arbeidsverleden.

Hoe lang u de loongerelateerde uitkering krijgt, hangt af van uw arbeidsverleden. Uw arbeidsverleden wordt bepaald door:

  1. alle jaren vanaf het jaar waarin u 18 jaar werd tot en met het jaar 1997. Deze jaren worden het fictieve arbeidsverleden genoemd.
  2. Plus alle jaren dat u heeft gewerkt vanaf 1998 tot het jaar waarin u WGA-uitkering heeft gekregen. Dit wordt het feitelijk arbeidsverleden genoemd. Alleen de jaren waarin u minstens 52 dagen loon kreeg, tellen hiervoor mee. Ook jaren waarin u voor uw kind zorgde, mantelzorg verleende of onbetaald verlof opnam, kunnen meetellen.

Voor ieder volledig jaar arbeidsverleden, ontvangt u een maand uitkering. De uitkering duurt minimaal 3 en maximaal 38 maanden.

Werkt u niet? Dan krijgt u bij een loongerelateerde WGA-uitkering de eerste 2 maanden 75% van uw laatstverdiende loon. Daarna 70%. Dat is het loon dat u verdiende in het jaar voordat u ziek werd. Gaat u werken? Dan ontvangt u naast het loon dat u verdient nog 70% van het verschil tussen uw laatstverdiende en uw nieuwe loon. 

Een voorbeeld:

  • Stel dat u in het jaar voordat u ziek werd € 1200 per maand verdiende (laatstverdiende loon).
  • U krijgt een loongerelateerde WGA-uitkering.

Als u niet werkt krijgt u 70% van €1200 = € 840.
Stel dat u een nieuwe baan vindt waarmee u € 400 verdient.
Als u wél werkt krijgt u een WGA-uitkering ter hoogte van 70% van het verschil tussen uw oude loon (€ 1200) en uw nieuwe loon (€400) = 70% van € 800 = € 560. Uw totale inkomen is dan € 400 + € 560 = € 960.

 

Loonaanvulling of vervolguitkering

Heeft u geen recht (meer) op een loongerelateerde WGA-uitkering? Dan krijgt u een loonaanvullings- of een vervolguitkering. Welke uitkering u krijgt hangt af van uw arbeidsongeschiktheidspercentage. En van hoeveel u verdient.

Bij een loonaanvullings- of vervolguitkering wordt per maand gekeken welke uitkering u krijgt. Verdient u minder dan 50% van wat u volgens het UWV nog kunt verdienen (verdiencapaciteit)? Dan krijgt u een vervolguitkering. Verdient u meer dan 50% van uw verdiencapaciteit? Dan krijgt u een loonaanvullingsuitkering.

Let op: bent u 80-100% arbeidsongeschikt? Dan krijgt u altijd een loonaanvullingsuitkering. Het maakt dan niet uit hoeveel u verdient.

Een voorbeeld:

  • Stel dat u in het jaar voordat u ziek werd € 1200 per maand verdiende (laatstverdiende loon).
  • Volgens het UWV kunt u in theorie nog € 600 verdienen (verdiencapaciteit).
  • Om te bepalen welke uitkering u krijgt, wordt gekeken of u minimaal 50% van uw verdiencapaciteit verdient. In dit rekenvoorbeeld 50% van € 600 = € 300.

Loonaanvullingsuitkering

Stel u vindt een baan waarmee u nog € 300 kunt verdienen. Dat is precies 50% van uw verdiencapaciteit. U krijgt daarom een loonaanvullingsuitkering.

In dat geval krijgt u naast uw loon een uitkering van 70% van het verschil tussen uw laatstverdiende loon (€ 1200) en wat u in theorie nog kunt verdienen (€ 600). In dit rekenvoorbeeld dus:

€ 300 + 70% van € 1200 - € 600 = € 720

Vindt u geen baan voor 50% van uw verdiencapaciteit? Bijvoorbeeld als u in dit rekenvoorbeeld maar € 250 verdient. Dan krijgt u een vervolguitkering.

 

Vervolguitkering

Bij een vervolguitkering ontvangt u naast het loon dat u verdient een uitkering. Deze uitkering is gebaseerd op een percentage van het minimumloon. De hoogte van het percentage hangt af van uw arbeidsongeschiktheidsklasse.

  • Stel dat u in het jaar voordat u ziek werd € 1200 per maand verdiende (laatstverdiende loon).
  • Volgens het UWV kunt u in theorie nog € 600 verdienen (verdiencapaciteit).

Stel dat u € 250 verdient en u bent 50% arbeidsongeschikt. Dan valt u in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. U krijgt dan een uitkering van 35% van het minimumloon (netto € 1129). Oftewel: € 395,15.

Uw inkomen is dan € 250 + € 391 = € 645,15

 

Arbeidsongeschiktheidsklasse Percentage van het minimumloon
35-45 % 28%
45-55% 35%
55-65% 42%
65-80% 50,75%

 

Meer informatie

Lees meer over de WIA op de website 'Werken naar vermogen' van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bekijk ook de WIA-wijzers.